[disclaimer: alle opmerkingen die aanstellerig, racistisch of als zeer subjectief zouden kunnen worden ervaren berusten puur op toeval of de neiging van de schrijver om zijn beleving als zeer dramatisch te beschrijven. Of zoals de mantelzorger van een ernstig zieke laatst zei: vergeleken met Gaza is het paradijselijk]
Nadat er ‘s nachts een bom was ontploft in het portiek van een flat aan de Comeniusstraat, die straat waar de Mercedes CLE 300 4MATIC Coupé AMG welig tiert en de Mocromaffia zijn gaspedaal intrapt met het zelfde fanatisme als waarmee mijn buurvrouw het onkruid dagelijks tussen de tegels verwijdert, werd er in ons hofje besproken dat het voelt alsof wij het laatste front zijn dat nog staat. We leven op de rand van 2 werelden. Bij de bezichtiging van ons huis zei een toen toekomstige buurvrouw dat de buurt ook wel een witte enclave in de ghetto wordt genoemd. Dat stadsdorpje aan de liefelijke oever van de Sloterplas is ruiger dan je denkt.
Toen ik nog een stoere dertiger was, was ik ‘living on the edge’, zoals dat heet. Ik probeerde het tegeltje dat thuis op de wc stond - ‘een echte surfer is geen zee te hoog en geen vrouw te wild’ - na te leven. Ik leefde en feestte binnen de ring en kwam er alleen buiten om te surfen op zee.
Tegenwoordig passen andere tegeltjeswijsheden beter bij mijn leven. Zoals de graffiti ‘buiten de ring gebeurt het’, die ik zie als ik onder de ring doorfiets op de Postjesweg, met voorop een jammerende dreumes en achterop een kwetterende kleuter.
Wonend buiten de Ring, in Stadsdorp Hemsterhuisbuurt besef ik me dat het leven met 2 kinderen en een belachelijk oud koophuis pas living on the edge is. Op de rand van de ghetto, van uitputting, een identiteitscrisis en fysiek en mentaal verval nu de 40 gepasseerd is.
Toch blijf ik hier wonen, toch houd ik vol, want geen rand is zo mooi als de rafelrand.